HOME FISCUS MTS "WAPPER" LINKS
E-MAIL KOSTEN AANGIFTEN BINNENVAART    
STARTERS AUTO 2003 BESTELAUTO 2003 KERNGETALLEN (BESTEL)AUTO 2004
    FISCAAL NIEUWS    

 

 

2003    2004                                                                                        

 

 

Belastingplan 2006: 

de Koningin

Datum

 

Uw brief (Kenmerk)

 

Ons kenmerk

 

 

 

 

AFP 2005-00807

Onderwerp

Nader rapport betreffende het voorstel van wet houdende wijziging van enkele belastingwetten (Belastingplan 2006)

 

Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 30 augustus 2005, no.05.003101, machtigde Uwe Majesteit de Raad van State zijn advies inzake het bovenvermelde voorstel van wet rechtstreeks aan de eerste ondergetekende te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 14 september, no. W06.05.0391/IV, bieden wij U hierbij aan.

Wij willen allereerst onze waardering uitspreken over de voortvarendheid waarmee de Raad zijn advies op het bovengenoemde wetsvoorstel heeft uitgebracht. Deze voortvarendheid stelt de regering – evenals in vorige jaren – in staat het Belastingplan op Prinsjesdag aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te kunnen aanbieden.

Naar aanleiding van het advies merken wij het volgende op.

1. Belastingplan

De Raad adviseert alleen maatregelen die direct betrekking hebben op het budgettaire en koopkrachtbeeld van het komende jaar in het Belastingplan op te nemen. Volgens de Raad kunnen in een wetsvoorstel bij het Belastingplan ook maatregelen worden opgenomen die niet rechtstreeks betrekking hebben op het budgettaire en koopkrachtbeeld, maar waarvan de inwerkingtreding per begin van het volgende kalenderjaar nodig of gewenst is. In aansluiting op deze opmerkingen van de Raad zijn wij van mening dat vanwege de ingebouwde tijdsdruk op de besluitvorming van het Belastingplan een zorgvuldige afweging vereist is over welke maatregelen passen in het Belastingplan. De samenstelling van het Belastingplan past onzes inziens in hoofdzaak binnen het door de Raad gehanteerde kader. We merken hierbij wel op dat een beperkt aantal maatregelen, dat strikt genomen buiten het door de Raad gehanteerde kader valt, om redenen van wetgevingseconomie niet in een separaat wetsvoorstel is opgenomen.

2. Tonnageregeling

Met de in het Belastingplan 2006 voorgestelde maatregelen wordt de Nederlandse wetgeving in overeenstemming gebracht met de herziene Communautaire richtsnoeren betreffende staatssteun voor het zeevervoer. Tevens is in het voorstel van wet aandacht gegeven aan de concurrentiepositie van het Nederlandse zeevervoer.

De Raad wijst er op dat de Europese Commissie nog geen goedkeuring heeft gegeven voor de in het Belastingplan 2006 opgenomen regelingen. Om die reden moet zijns inziens een afweging worden gemaakt tussen het met terugwerkende kracht invoeren van een regeling en het risico van het moeten terugvorderen van ongeoorloofde staatssteun. Het afgaan door de sector op faciliteiten die de regeling biedt, is in beide varianten onzeker zolang de Commissie geen zekerheid heeft gegeven, waarbij de eerste variant het minst bezwarend lijkt. De Raad adviseert om de gewijzigde tonnageregeling eerst na goedkeuring in werking te laten treden.

Vooropgesteld wordt dat het gaat om het in lijn brengen van de Nederlandse regelingen met het nieuwe steunkader voor de zeescheepvaart, zoals die door de Europese Commissie is vastgesteld in richtsnoeren. Daarbij moet een lidstaat aan de Europese Commissie melden dat en op welke wijze de richtsnoeren in de nationale regelingen worden opgenomen (conform artikel 88, lid 1, EG – “dienstige maatregelen”). Ten aanzien van de voorgestelde maatregelen is aan deze meldingsplicht voldaan.

Hoewel het de voorkeur verdient dat met inwerkingtreding van de maatregelen wordt gewacht tot de Europese Commissie vastlegt dat Nederland de voorgestelde dienstige maatregelen aanvaardt en daarvan officieel mededeling doet aan de Nederlandse regering conform hetgeen is bepaald in artikel 19, lid 1, van Verordening (EG) nr. 659/1999, wordt daar in dit geval niet voor gekozen. Het risico dat de Europese Commissie naar aanleiding van de voorgestelde maatregelen een formele onderzoeksprocedure zal starten wordt daarbij als zeer klein ingeschat. Tevens geldt dat de Nederlandse regelgeving al op 30 juni 2005 aan de richtsnoeren had moeten voldoen. Ook aan niet tijdige invoering kleven risico’s. In de afweging van de risico’s, en om het nadeel dat de sector ondervindt van het verder uitstellen van de inwerkingtreding te beperken, is besloten om vast te houden aan de in het wetsvoorstel opgenomen inwerkingtredingsdatum van 1 januari 2006.

Voor wat betreft de reeds in het wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen 2005 (Wet van 16 december 2004, Stb. 654) opgenomen maatregelen is een dergelijke melding al een aantal keren schriftelijk gebeurd, waarbij is verzocht om vastlegging dat Nederland de voorgestelde dienstige maatregelen aanvaardt en daarvan officieel mededeling te doen aan de Nederlandse regering, voor de eerste keer bij brief van 15 september 2004. De Europese Commissie heeft tot op heden niet gereageerd op de door Nederland verzonden brieven, anders dan dat werd aangegeven dat de toepassing van de regelingen voor de zeescheepvaart op kabelleggers, onderzoekschepen en kraanschepen onverenigbaar is met de herziene Communautaire richtsnoeren. Voorgesteld wordt om de uitbreiding met de genoemde typen schepen in het hiervoor genoemde wetsvoorstel te laten vervallen. Daarnaast wordt, in lijn met het door de Europese Commissie goedgekeurde Deense voorstel, voorgesteld het vlagvereiste te versoepelen. Het risico dat de Europese Commissie een terugvorderingsprocedure inzake onrechtmatige staatssteun zal starten, is om bovengenoemde redenen verwaarloosbaar.

Voor wat betreft de regeling voor scheepsmanagementactiviteiten geldt dat deze eveneens zijn gemeld bij de Europese Commissie, zij het voor de eerste keer bij brief van 3 augustus 2005. Omdat de bedoelde regeling niet afwijkt van de letterlijke tekst van de herziene Communautaire richtsnoeren, lijkt het waarschijnlijk dat de Europese Commissie hiermee zal instemmen. Gezien het vorenstaande en de betrokken risico’s afwegende, is de regering van mening dat het de voorkeur verdient om het wetsvoorstel met betrekking tot de regelingen voor de zeescheepvaart niet aan te passen.

3. Filmstimulering

De keuze voor de fiscaliteit als instrument om film te stimuleren vloeit voort uit de motie Verhagen c.s. waaraan ook de Raad refereert (kamerstukken II 2004/05, 29 800, nr. 4). Om met deze keuze in plaats van met een rechtstreekse subsidie invulling te geven aan de doelstellingen van het filmstimuleringsbeleid, is het nodig een enigszins ingewikkeld bouwwerk aan fiscale middelen te construeren. De bedenkingen die de Raad heeft bij het vervolgen van deze in 1998 ingeslagen weg, ter zake waarvan de Raad dus al eerder negatief adviseerde, zijn begrijpelijk. Evenzeer is het begrijpelijk dat de Raad zich opnieuw afvraagt of de stimulering van film niet beter anders georganiseerd kan worden dan door fiscale stimulering via de film-CV. Echter, een overstap naar ander beleid is niet opportuun, op dit moment niet althans. De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M.C. van der Laan, en eerste ondergetekende hebben in hun brief van 12 juli 2005 (kamerstukken II 2004/05, 25 434, nr. 24) de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal geschreven te onderzoeken hoe de bestaande regeling voor de film-CV zou kunnen worden vervangen door - enigerlei vorm van subsidie, gecombineerd met - een op box III gebaseerde fiscale regeling. Uitgangspunt zal daarbij zijn dat een mix ontstaat van een fiscale stimulans in de vorm van de bestaande faciliteiten (vrijstelling in box III en een heffingskorting) voor cultureel beleggen en een vorm van subsidiëring. Te denken valt daarbij aan een garantiefonds, een matchingbijdrage of, zoals de Raad adviseert, een rechtstreekse subsidie. Bedoelde combinatie is nodig omdat de hiervóór bedoelde fiscale stimulans op zichzelf onvoldoende zal zijn om beleggers te interesseren voor een belegging in een film, gezien de daaraan verbonden risico’s en de te verwachten rendementen. Mede met het oog op de voor deze sector noodzakelijke continuïteit is het wenselijk in de tussentijd (tot uiterlijk 1 juli 2007) de ook in de eerderbedoelde brief van 12 juli 2005 aangekondigde maatregelen door te voeren. Door op deze wijze voort te bouwen op het bestaande beleid wordt voorkomen dat marktpartijen onverwacht een volkomen nieuwe financieringsmethodiek in het leven zouden moeten roepen.

4. Woningcorporaties
Met de voorgestelde tekst wordt aangesloten bij het voorstel zoals dat onderdeel uitmaakte van het Belastingplan 2004. Daarmee werd beoogd een beperking aan te brengen in het beslag op de algemene middelen dat het gevolg is van de in artikel 5, eerste lid, onderdeel d, bedoelde belastinguitgave. Werd daartoe ingevolge het amendement Giskes een formeel criterium gehanteerd, meer in het bijzonder door aansluiting te zoeken bij het Besluit beheer sociale huursector, thans wordt voorgesteld een materieel criterium te hanteren. Het voorgestelde criterium is meer eigen aan de fiscaliteit, maar heeft, zo constateert de Raad terecht, tot effect dat bij toepassing van de vrijstelling verschillende normenkaders een rol gaan spelen. De Raad wijst in dit verband op de vereisten waaraan woningcorporaties moeten voldoen, om toegelaten instelling te kunnen zijn en de voorgestelde omschrijving van kernactiviteiten. Wij zijn niet van mening dat met de voorgestelde tekst wordt getreden in doelstellingen die met de kernactiviteiten van de woningcorporaties samenhangen. De beperking van de vrijstelling beoogt zo uit te werken dat een woningcorporatie belastingplichtig kan zijn voor die werkzaamheden waarmee in concurrentie wordt getreden met andere aanbieders van overeenkomstige werkzaamheden. De woningcorporatie kan in de situatie waarin activiteiten verliesgevend zijn, de voorgestelde maatregel als belastend ervaren. Afschaffen van de vrijstelling brengt evenwel niet met zich dat dit anders komt te liggen. Alsdan zullen activiteiten op het gebied van de sociale woningbouw, voor zover deze structureel verliesgevend zijn, over het algemeen niet als het drijven van een onderneming worden aangemerkt, en kunnen deze verliezen dus niet afgezet worden tegen de winsten van de commerciële activiteiten.

De keuze voor een partiële vrijstelling betekent dat een grens wordt getrokken tussen activiteiten die wel en niet in de heffing worden betrokken. Voor de woningcorporatie ontstaat een zeker belang opbrengsten zo veel mogelijk toe te rekenen aan vrijgestelde activiteiten en kosten aan activiteiten die wel in de heffing van vennootschapsbelasting worden betrokken. Dit is geen nieuw fenomeen. Ook het feit dat het moeten onderscheiden tussen belaste en onbelaste activiteiten tot administratieve lasten leidt, is voorzien (in de toelichting geraamd op een toename van € 1 mln.). Woningcorporaties zullen met het oog op dit onderscheid een gescheiden administratie moeten gaan voeren. Het voorstel beoogt de verzwaring van de administratieve lasten overigens te beperken door bij gemengde activiteiten de vrijstelling te handhaven als in een gebouw de gebruiksoppervlakte naast die van bedrijfsonroerendgoed voor tenminste 80% bestaat uit gebruiksoppervlakte van sociale huurwoningen. Toch zal ook dit aspect van het voorstel naar verwachting niet kunnen voorkomen dat door de voorgestelde wijziging geschillen zullen toenemen. Echter, het is niet de verwachting dat vragen betreffende de toerekening van opbrengsten of kosten aan bepaalde activiteiten ver af staan van beantwoording van de vraag of die activiteiten belast of onbelast zijn. Dit soort problematiek is wederom niet specifiek voor woningcorporaties maar een bekend fenomeen bij lichamen met een partiële vennootschapsbelastingplicht.

5. Dividendbelasting

Wij onderschrijven de constatering van de Raad dat door de invoering van Wet IB 2001 de directe link tussen de inkomstenbelasting en dividendbelasting is losgelaten. Hoewel dit op zich ruimte biedt voor aanpassingen, voldoet het concept van de opbrengst van aandelen dat inderdaad is gebaseerd op het inkomensbegrip van de Wet IB 1964 nog steeds als uitgangspunt voor de dividendbelasting. Een beperking tot enkel contante winstuitkeringen zou leiden tot uitholling van de heffingsgrondslag en daarmee de heffing niet robuuster maken. Ook gaat het in het voorstel niet om gemillimeter; met de inkoop van eigen aandelen zijn juist grote financiële belangen gemoeid. Het beperken van de dividendbelasting tot de contante winstuitkeringen zou kunnen leiden tot aanzienlijke verschuivingen tussen contante winstuitkeringen en inkoop van aandelen. De heffing van dividendbelasting zou op deze wijze gefrustreerd worden. Aangezien het niet in het voornemen ligt substantiële aanpassingen in het inkomstenbegrip door te voeren, is een schets van een nieuw perspectief voor de dividendbelasting thans niet aan de orde.

Eindheffing loonbelasting

6. De Raad heeft aanmerkelijke bezwaren tegen de introductie van de mogelijkheid om eindheffing in de loonbelasting toe te passen in de gevallen waarin de bonussen of geschenken opkomen aan vennootschapsbelastingplichtige lichamen. In reactie hierop kan allereerst worden opgemerkt dat deze systematiek niet nieuw is maar reeds was vervat in het thans te codificeren besluit van 26 april 2001, nr. CPP2001/911M, onder meer gepubliceerd in V-N 2001/30.12. De mogelijkheid voor de verstrekker van de bonus/het geschenk om ook over baten die opkomen in de vennootschapsbelastingsfeer af te rekenen middels een eindheffing in de loonbelasting is in dit besluit uitgebracht om tegemoet te komen aan wensen uit de uitvoeringspraktijk. De in dit Belastingplan opgenomen mogelijkheid betreft niet meer dan een codificatie van deze mogelijkheid, waarbij wordt aangehaakt bij het daartoe meest geëigende systeem, te weten de eindheffing in de Wet LB 1964. Dit betekent dan ook niet dat de loonbelasting in ruimere mate als een ‘vergaarbak’ kan worden aangemerkt.

In de memorie van toelichting 1 van het wetsvoorstel Wet op de loonbelasting 1964 is aangegeven dat de pijlers waarop de loonbelasting rust worden gevormd door de begrippen werknemer, loon en inhoudingsplichtige, waarbij een belasting werd geheven van alleen werknemers. Inmiddels is de heffing al uitgebreid naar diverse andere groepen dan alleen werknemers, zoals van inhoudingsplichtigen, artiesten, beroepssporters, buitenlandse gezelschappen en van aan te wijzen natuurlijke personen. Mede in dit licht bezien, wegen de door de Raad geuite bezwaren tegen deze codificatie van een heffingsmogelijkheid van rechtspersonen niet op tegen het belang van de praktijk. Hiermee wordt immers een doelmatige heffing, over doorgaans op individuele basis bezien geringe voordelen, in wetgeving omgezet. Zonder deze bestaande mogelijkheid zou het daadwerkelijk in de heffing van de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen of vennootschapbelasting betrekken van de onderhavige inkomsten in natura aanzienlijke praktische problemen opleveren. Volgens de huidige wettelijke regeling kan de verstrekker de eindheffing alleen toepassen voor geschenken aan de eigen werknemers en niet aan anderen.

De Raad meent terecht dat het mogelijk is om de vennootschapsbelastingheffing op andere wijze dan thans is voorgesteld te verleggen van de genieter naar de verstrekker. Dit kan door de waarde in het economische verkeer van de bonussen en geschenken bij de winstbepaling van de verstrekker niet in aftrek toe te staan en deze waarde onbelast te laten bij de genieter. De regering acht dit echter geen wenselijke weg. Dit zou namelijk een zwaardere administratieve last voor de verstrekker betekenen omdat hij dan bij het verstrekken van geschenken aan anderen dan eigen werknemers twee verschillende systemen dient te hanteren (eindheffing voor geschenken aan natuurlijke personen en niet aftrekbaarheid voor geschenken aan lichamen). In het voorstel van de Raad zou de verstrekker ook een oordeel moeten vormen over de vraag of de ontvanger wel of niet als vennootschapsbelastingplichtig lichaam valt aan te merken.

In de voorgestelde systematiek is slechts vereist dat de verstrekker aannemelijk kan maken wie de ontvanger is van de verstrekking; dit is bijvoorbeeld relevant om te kunnen controleren of de ontvanger een ander dan de eigen werknemer is.

7. De Raad adviseert de voorwaarde dat er een schriftelijke mededeling van de verstrekker in de administratie dient te worden bewaard, zodanig aan te passen dat de voorwaarde ook uitvoerbaar is als de mededeling wordt gedaan door middel van de algemene voorwaarden van de verstrekker. Aan het advies van de Raad is gehoor gegeven door aan de toelichting toe te voegen dat aan de administratieplicht kan worden voldaan door een afschrift van de algemene voorwaarden in de administratie te bewaren.

Het advies van de Raad om de voorwaarde dat de ontvanger ervan mag uitgaan dat de verstrekker van het voordeel de ter zake daarvan verschuldigde belasting heeft voldaan te laten vervallen, is overgenomen.

8. De Raad merkt terecht op dat de tariefstelling over het eindheffingsbestanddeel in het nieuwe artikel 32ab van de Wet op de loonbelasting 1964 rond het bedrag van € 136 zeer scherp is. Voor verstrekkingen tot € 136 geldt een tarief van 45%, terwijl voor verstrekkingen van € 136 en meer voor het gehele bedrag een tarief van 75% geldt. Omwille van de eenvoud is voor deze tariefstelling gekozen. Conform het advies van de Raad is de toelichting zodanig aangepast dat op deze ‘scherpte’ is ingegaan. Het advies van de Raad met betrekking tot de waardebepaling is eveneens overgenomen door aan de toelichting toe te voegen dat bij spaarpunten voor de waardebepaling kan worden gedacht aan de gewogen gemiddelde waarde in het economische verkeer, afgeleid van de artikelen of diensten die ermee kunnen worden verkregen, waarbij rekening gehouden kan worden met waardedrukkende factoren en het moment waarop deze artikelen en diensten, tegen inlevering van spaarpunten, daadwerkelijk worden verstrekt.

9. Levensloopregeling

De Raad adviseert in de toelichting in te gaan op de voorwaarde dat beheerders van beleggingsinstellingen voor de uitvoering van de levensloopregeling in beginsel in Nederland gevestigd moeten zijn.

De toelichting is aangevuld met een verwijzing naar het tot onderdeel d verletterde onderdeel c van het vierde lid van artikel 19g Wet op de loonbelasting 1964. Dit onderdeel bevat de mogelijkheid voor andere lichamen zoals beheerders van beleggingsinstellingen die niet in Nederland gevestigd zijn om, als wordt voldaan aan door de minister te stellen voorwaarden, als uitvoerder van de levensloopregeling op te treden.

10. Vrijwilligersregeling

De Raad adviseert om voor toepassing van de vrijwilligersregeling de voorwaarde dat het werk niet bij wijze van beroep arbeid wordt verricht te laten vervallen. In dit kader is van belang dat inmiddels is voorgesteld de vrijwilligersregeling te verruimen door het weekmaximum van € 21 te vervangen door een maandmaximum van € 150 en het jaarmaximum te verhogen van € 735 naar € 1500.

De voorwaarde dat het werk niet beroepshalve wordt verricht is namelijk belangrijk, en wordt vanwege de verruiming nog belangrijker, om onderscheid te maken tussen een vrijwilliger en een werknemer. Bij deze vraag, is de beloning die voor de werkzaamheden wordt ontvangen van belang evenals of deze beloning enigszins in overeenstemming is met het werk. Het gaat er daarbij om of de beloning in redelijke mate in overeenstemming is met de (aard van de) verrichte werkzaamheden. Bij een beloning die aangemerkt kan worden als een marktconforme beloning is geen sprake van “vrijwilligerswerk”. Een belangrijk kenmerk van vrijwilligerswerk is immers dat een eventuele vergoeding in geen verhouding staat tot het tijdsbeslag en de aard van de verrichte werkzaamheden, maar meer het karakter heeft van een forfaitaire kostenvergoeding. Het laten vervallen van deze voorwaarde zou dan ook betekenen dat iedereen met een ‘klein baantje’, waarvoor het loon de grenzen van de vrijwilligersregeling niet overstijgt niet als werknemer wordt aangemerkt en het loon onbelast kan ontvangen. Terwijl hier wel sprake kan zijn van loon. Het vervallen van de voorwaarde zou ook een aanzienlijke budgettaire derving betekenen. Het kabinet is dan ook niet van mening dat deze belangrijke voorwaarde zou moeten komen te vervallen vanwege de administratieve last die deze voorwaarde met zich brengt

Aan het advies van de Raad om de beperking van de toepassing van de vrijwilligersregeling tot sportorganisaties die niet de rechtsvorm hebben van een NV en BV, zoals in het besluit van 12 maart 2004, nr. CPP2003/2042M, niet in de wettelijke regeling op te nemen, is door een aanpassing van het voorstel uitvoering gegeven. Hierdoor kunnen sportorganisaties de vrijwilligersregeling toepassen, ongeacht of ze aan de vennootschapsbelasting zijn onderworpen en ongeacht de rechtsvorm. Of er sprake is van vrijwilligerswerk voor de sportorganisatie hangt daardoor af van de vraag of de arbeid al dan niet bij wijze van beroep wordt verricht en niet van de rechtsvorm van de sportorganisatie.

Aan het slot is aan de artikelsgewijze toelichting een passage toegevoegd waarmee de gevolgen van het in verband met deze codificatie vervallen van het beleidsbesluit worden verduidelijkt.

Samenhangende groep inhoudingsplichtigen

11. In de toelichting bij de voorgestelde maatregelen inzake een samenhangende groep inhoudingsplichtigen wordt van ‘concern’ gesproken. Anders dan de Raad mogelijk veronderstelt, hebben deze maatregelen niet slechts betrekking op een concern maar ook op alle andere samenhangende groepen inhoudingsplichtigen. Het begrip concern wordt als voorbeeld gebruikt.

De toelichting is op dit punt aangepast.

12. De Raad signaleert terecht dat een aantal voor samenhangende groepen inhoudingsplichtigen voorziene maatregelen in de lagere regelgeving zullen worden opgenomen. Dit is gedaan omdat zij rechtstreeks aansluiten bij of worden opgenomen in de reeds in die lagere regelgeving aanwezige voorschriften. Het zijn in feite aanpassingen van bestaande voorschriften ten behoeve van samenhangende groepen inhoudingsplichtigen. Om die reden is er bewust voor gekozen de aanpassingen ten behoeve van deze inhoudingsplichtigen rechtstreeks bij de bestaande voorschriften in de lagere regelgeving op te nemen. Een andere opzet zou slechts verwarring in de hand werken.

Aan de suggestie van de Raad om de nieuwe maatregelen alle bij wet of algemene maatregel van bestuur te regelen, is daarom geen gevolg gegeven.

13. In de artikelsgewijze toelichting op artikel 27e van de Wet op de loonbelasting 1964 is vermeld, dat zodra een samenhangende groep inhoudingsplichtigen is aangewezen, de Belastingdienst zal toestaan dat de in totaal op de tegelijkertijd gedane aangiften af te dragen belasting in één bedrag wordt voldaan. Voor het jaar 2006 zal dit slechts mogelijk zijn, vervolgt de toelichting, voor die concerns die dit na overleg met de inspecteur ook reeds deden onder het oude regime; met ingang van 1 januari 2007 zal deze mogelijkheid worden uitgebreid tot alle eventuele andere aangewezen samenhangende inhoudingsplichtigen. Dit uitstel tot 1 januari 2007 heeft dus nadrukkelijk slechts betrekking op het in één bedrag voldoen van de op een aantal aangiften verschuldigde loonheffing. Dit betreft een administratieve maatregel waarop geen al dan niet gewijzigd wetsartikel betrekking heeft. De achtergrond is dat het systeem voor de ontvangst van betalingen van de Belastingdienst de betaling in één bedrag pas per 1 januari 2007 geautomatiseerd zal kunnen verwerken. Alle thans voorgestelde maatregelen in de wetgeving zelf treden per 1 januari 2006 voor alle belanghebbenden in werking.

De toelichting is op dit punt verduidelijkt.

14. Commerciële intramurale zorg

De Raad merkt op, dat uit het reeds voorgehangen ontwerp Uitvoeringsbesluit WTZi is af te leiden, dat de op grond van de WTZi toegelaten ziekenhuizen en de daarmee gelijkgestelde verzorgingstehuizen en verpleegtehuizen niet zullen gaan behoren tot de instellingen waarvoor winstoogmerk is toegestaan, en adviseert het van omzetbelasting vrijstellen van de commerciële intramurale zorg in het licht van de voorgenomen regelingen inzake de WTZi opnieuw te bezien.

Dit onderdeel van het belastingplan 2006 richt zich op de toekomst, en houdt rekening met de brief van de minister van VWS “Transparante en integrale tarieven in de gezondheidszorg” (TK 2004-2005, 27 659, nr. 52). Deze brief stelt in het vooruitzicht dat (categorieën) van intramurale instellingen -na inwerkingtreding van de WTZi- in de toekomst kunnen kiezen voor winst beogen. Bovendien maakt het “experimenteerartikel” van de WTZi (artikel 2) vanaf de inwekingtreding van de WTZi hetzelfde mogelijk voor individuele instellingen die aan de door het kabinet gestelde voorwaarden voldoen. Het kabinet heeft er voor gekozen dit nu al te regelen, zodat later in de tijd het tempo van introductie van de mogelijkheid van winst beogen niet wordt belemmerd door een dan nog door te voeren wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968. In het wetsvoorstel (artikel XXXI) en in de memorie van toelichting is derhalve thans opgenomen dat dit onderdeel in werking treedt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

15. Giftenregeling vennootschapsbelasting

Op 15 juni 2005 heeft het Innovatieplatform het rapport “Geven voor weten: de vierde route; particuliere middelen voor de wetenschap” gepubliceerd. In dit rapport wordt een aantal niet-fiscale en fiscale aanbevelingen gedaan om meer filantropisch geld te laten vloeien naar de wetenschap.

Eén van de fiscale aanbevelingen uit het rapport is het laten vervallen van het maximum percentage van de giftenaftrek in de vennootschapsbelasting. In de vennootschapsbelasting zijn giften aftrekbaar tot een maximum van 6% van de winst met een ondergrens van € 227. Voorgesteld wordt het maximum percentage te verhogen van 6 naar 10. Daarmee wordt het plafond op hetzelfde niveau gesteld als in de inkomstenbelasting.

Er is gekozen voor een generieke verhoging van het percentage en niet voor een specifieke verhoging uitsluitend voor giften aan wetenschappelijke instellingen. Er is ook geen reden om de verruiming te onthouden aan andere goede doelen dan de wetenschap. Bovendien zou een onderscheid tussen giften aan wetenschappelijke instellingen en overige giften, naast een technisch lastig uit te werken regeling, extra administratieve lasten voor zowel het bedrijfsleven als de Belastingdienst tot gevolg hebben gehad.

16. Vrijstelling kabelnetten

De constatering van de Raad dat de definitie van een kabelnet in het voorgestelde artikel 15, eerste lid, onderdeel y, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (WBR) afwijkt van de definitie zoals opgenomen in de voorgestelde wijziging van artikel 20 van Boek 5 BW (voorstel tot wijziging van de Telecommunicatiewet) moet op een misverstand berusten. Inhoudelijk zijn beide definities volledig gelijk aan elkaar. Voor zover al kan worden gesproken van een verschil tussen beide definities, dan wordt deze uitsluitend veroorzaakt door het verschil in woordvolgorde. Dit laatste berust puur op redactionele gronden.

17. Antimisbruikregelingen (Wet op belastingen van rechtsverkeer)

De Raad wijst erop dat de antimisbruikbepalingen in de WBR en de Wet op de omzetbelasting 1968 elkaar gedeeltelijk lijken te overlappen. Zoals de term ‘antimisbruikbepaling’ al aangeeft wordt getracht misbruik van wetgeving tegen te gaan. De praktijk laat zien dat belastingplichtigen steeds vaker hun toevlucht nemen tot belastingconstructies. Van een eventuele overlap van antimisbruikbepalingen gaat een extra preventieve werking uit. Natuurlijk is het wel zo dat, als in de praktijk zou blijken dat sprake is van onbedoelde “overkill”, de bepalingen opnieuw zullen worden overwogen.

18. Redactionele kanttekeningen

Aan de redactionele opmerkingen van de Raad is gevolg gegeven.

Voorts is van de gelegenheid gebruik gemaakt om een aantal andere redactionele en technische verbeteringen in het wetsvoorstel en de memorie van toelichting aan te brengen. Tevens is bij deze gelegenheid aan het Belastingplan een aanpassing van de buitengewone uitgavenregeling toegevoegd, evenals een wijziging in de Elektriciteitswet die per 1 januari 2006 in werking moet treden.

Wij mogen U verzoeken het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.

De staatssecretaris van Financiën,

De minister van Financiën,

Bijlagen:

 

  • Wetsvoorstel
  • Memorie van Toelichting

 


1: MvT, wet van 16 december 1964, Stb. 1964, 521 (Wet LB 1964 ), Kamerstukken II, 5380, nr.7, blz. 9-10.

 

Bron: http://www.minfin.nl/nl/actueel/kamerstukken_en_besluiten,2005/09/wetsvoorstel_belastingplan_2006.html